Witte Boxer

 

Op deze pagina een vertaald stuk van Henning Lund uit Noorwegen die zich verdiept heeft in de genetica van gestroomde, gele, en witte boxers

 

 

 

De genetica en geschiedenis van de Boxer;

en waarom een witte boxer niet anders is.

 

Om zowel de controverse als de discussies over witte boxers te begrijpen is het niet alleen

noodzakelijk om de geschiedenis van de witte aftekeningen te begrijpen, maar ook om te begrijpen dat het echt belangrijk is om de genetica erachter te kennen.

Dus laten we eerst naar de genetica gaan. Dit is voor sommigen waarschijnlijk redelijk eenvoudig, maar om de discussies te begrijpen, de redenering achter het fokken met witte Boxers en waarom het zo eenvoudig is om de mythes over witte Boxers te ontmantelen, kan het niet worden overgeslagen.

 

Op school leerde je dat genen per twee gaan. Dat wil zeggen: de chromosomen komen in paren voor: één van de moeder en één van de vader. Chromosomen zijn enorm lange DNA – moleculen. Hier en daar langs deze lange moleculen zijn er vlekken die genen worden genoemd. Deze, voor sommigen ingewikkelde, mechanismen beïnvloeden een eigenschap van het dier. Omdat chromosomen per paar gaan, doen de genen dat ook. Het is de gecombineerde actie van de gepaarde genen die de uitkomst bepalen.

Sommige eigenschappen - zoals HD - worden beïnvloed door meerdere paren, terwijl andere door slechts één worden beïnvloed.

 

Grondkleur

Ergens op een paar chromosomen is dus een plek - een gen – dat beslist welke grondkleur een Boxer zal hebben. Zoals je weet, zijn Boxers of geel of gestroomd, omdat in het ras slechts twee variëteiten van het gen bestaan ("gestroomd" en "geel") die deze precieze plek kunnen innemen. De twee genen werken op deze manier samen: als beide chromosomen het gestroomde gen dragen of beide dragen het gele gen, is de Boxer natuurlijk gestroomd of geel. Als er één chromosoom is met het gestroomde gen, terwijl het andere chromosoom het gele gen draagt, zal het resultaat een gestroomde Boxer zijn, omdat het gestroomde gen dominant is over het gele. Deze hond draagt natuurlijk nog steeds het gele gen en kan gele puppy's vererven.

Het belangrijkste in deze discussie is dat alleen deze twee genen voor de grondkleur van het ras bestaan, gestroomd en geel zijn de enige grondkleuren die een Boxer kan hebben. Als je dus een “witte" Boxer ziet, weet je meteen dat het wit niet zijn grondkleur is.

 

Witte markeringen

Ergens, op een ander paar chromosomen, is er een vlek - een gen - dat van invloed is op de grootte en verdeling van witte markeringen. Deze komen naast de grondkleur en wit kan dan ook gezien worden als markeringen die de grondkleur bedekken.

Wat hier eigenlijk gebeurt, is dat de genen in deze vlek de cellen met pigment kunnen beperken.

De genen op deze plek hebben namen met een S. Er zijn verschillende S - genen, maar in ons ras bestaan er slechts twee. Dat zijn S (dat we het “gewone” gen noemen) en Sw (dat we het “ witte gen” noemen).

De "witheid" van een Boxer wordt dus hoofdzakelijk bepaald door het feit of het paar chromosomen twee S-genen draagt, één van elk, dan wel of twee Sw - genen.

Als beide genen in het paar S (of gewoon) zijn, is de Boxer niet gevlekt, maar egaal van kleur. De hond kan nog steeds een beetje wit hebben, maar over het algemeen is de snuit zwart en beperkt het wit zich tot een vlek op de borst en een beetje op de tenen.

Als er één S - gen en één Sw - gen in het paar zitten, zal de S slechts gedeeltelijk domineren over de Sw. Men zegt dat het semi - dominant is. Deze honden hebben de typische kenmerkende markeringen (of "Toon markeringen" zoals sommige mensen ze noemen), wit op de snuit, witte sokken en wit op de hals.

Wanneer beide genen in het paar Sw zijn, zullen de witte markeringen het grootste deel van het lichaam bedekken en zal de hond als wit worden gezien. Misschien met wat gele of gestroomde vlekken. Die zullen zich meestal op het hoofd bevinden, of op het lichaam van de hond in de buurt van de wervelkolom.

Deze eenvoudige concepten zijn al vele jaren bekend. Dr Bruce Cattanach heeft dit al in 1974 besproken een artikel in het tijdschrift "Boxerama" .

Toen onderzoekers er achter kwamen waar de S - genen zich precies bevinden op de chromosomen, werd dit in 2007 bevestigd door moleculair genetische onderzoeken.

 

Belangrijk om te onthouden: of de hond "egaal", "gestroomd" of "wit" is, wordt alleen door deze twee genen bepaald. En dat is de enige eigenschap die deze genen beïnvloeden!

 

Een Boxer kan natuurlijk grotere of kleinere kleurmarkeringen hebben. Een Boxer die egaal van kleur is, kan volledig zonder witte haren zijn, maar ook gedeeeltelijke witte markeringen hebben, en een witte kan helemaal wit zijn, of gekleurde vlekken hebben van verschillende grootte van de basiskleur.

Deze variëteiten worden veroorzaakt door andere genen, die onafhankelijk van de S - genen worden vererfd.

 

Een "niet fokzuivere" (flashy) boxer is genetisch een “witte” ouder voor de helft van zijn nakomelingen.

Dit belangrijke concept volgt rechtstreeks uit de eenvoudige hierboven beschreven genetica, en het is de sleutel tot het begrijpen waarom er echt niets dramatisch of nieuw is aan witte Boxers.

Alle cellen in een lichaam bevatten dezelfde paren chromosomen, maar wanneer het lichaam gameten - spermacellen of eicellen – maakt, worden de paren opgesplitst. De helft van de gameten krijgt de chromosomen in een paar, de andere helft van de cellen krijgt de rest.

Natuurlijk, als een witte Boxer, die de genetische combinatie Sw Sw heeft, gameten maakt, krijgen alle eieren of spermacellen een chromosoom dat het Sw - gen draagt. Bij een niet fokzuivere Boxer waar in elk paar één chromosoom het S - gen draagt en het andere chromosoom draagt het Sw - gen, krijgt de helft van de gameten het chromosoom met het S - gen, de andere helft krijgt het een chromosoom met het Sw - gen. Dit is de sleutel wat witte markeringen betreft, er is geen verschil tussen de Sw – gameten van de niet fokzuivere Boxer en de gameten van een witte Boxer. Met andere woorden: als je een ei of sperma zou kunnen oppakken en zou kunnen zien dat het een chromosoom bevatte met daarop het Sw – gen, zou je nooit kunnen bepalen of die cel afkomstig is van een niet fokzuivere of van een witte Boxer. Het gevolg hiervan is de titel van dit gedeelte: steeds één van de 50% van de gameten van een niet fokzuivere Boxer die het "witte" gen bevat, wordt gebruikt bij de bevruchting. Technisch en genetisch gezien is dat hetzelfde als fokken vanuit een witte boxer.

Daarom, omdat er altijd is gefokt met niet fokzuivere Boxers, is het resultaat ook dat we altijd voor alle praktische doeleinden fokken met (genetisch gezien) witte boxers. Er is dus niets nieuws, dramatischs of experimenteels aan de hand als we voor de fokkerij een Boxer gebruiken met de SwSw – combinatie. (witte boxer)

 

Natuurlijk, wanneer een niet - gemarkeerde Boxer - de SS-variëteit (fokzuiver) - gameten produceert, zullen ze allemaal het S – gen bevatten. Daarom zullen diens puppy's dat gen erven en geen van hen kan wit zijn. Wanneer je een gewone Boxer kruist met een witte, krijgen alle puppy's een chromosoom met het S - gen en één chromosoom met het Sw - gen. Ze zullen allemaal de van de niet fokzuivere S Sw – variëteit zijn en je kunt op geen enkele manier zien of die niet fokzuivere pup een blanke ouder heeft of niet. Er is geen verschil.

 

Een korte geschiedenisles en een aantal mythes ontrafeld!

Toen het Boxerras ontstond, was de witte kleur er een onderdeel van. In de eerste standaard werd wit met gekleurde vlekken beschreven als een van de geaccepteerde variëteiten.

Toen deze variëteit in de jaren ‘30 van de vorige eeuw als onaanvaardbaar werd uitgesloten, was dat vooral omdat het belangrijk was geworden om het ras goedgekeurd te krijgen voor militaire en politie doeleinden. Witte honden waren te makkelijk zichtbaar in het donker om goedgekeurd te worden voor dit soort werk. De witte kleur moest uit het ras verdwijnen. Dat was natuurlijk voordat iemand ook maar iets wist over dingen als genen en chromosomen. De enige manier om dat te doen, was om de witte honden te verwijderen. Dat wil zeggen, zij werden direct na de geboorte gedood. Uit het oog uit het hart. Die praktijken gingen decennia lang door. Hoewel het nu toch gebruikelijk is geworden om witte pups in leven te laten.

 

Na zo'n 75 jaar witte pups te hebben verwijderd, zijn enkele "waarheden" toegestaan, vooral over de gezondheid van witte Boxers.

Witte Boxers zouden meer vatbaar zijn voor doofheid en blindheid en ze zouden ook meer huidproblemen en allergieën hebben.

Nu meer witte pups in leven blijven, worden ze ook opgenomen in gezondheidsonderzoeken enz. Uit deze onderzoeken weten we inmiddels dat witte Boxers net zo gezond of ongezond zijn als andere Boxers. Dat is ook wat je logischerwijs zou verwachten, nu je de eenvoudige genetische achtergrond kent van de witte aftekeningen bij Boxers.

Sommige mensen zijn echter bang dat het fokken met witte Boxers zal resulteren in verdund of “gewassen” / vervagend pigment in het masker en de grondkleur.

Zij hoeven zich geen zorgen te maken. Nogmaals, de S - genen hebben geen controle over deze eigenschappen, er zijn andere genen die bepalen hoe zwart het masker is, of hoe licht of donker geel de grondkleur is.

 

Waarom doofheid echt geen probleem is bij het fokken met witte Boxers

Sommige witte Boxers zijn doof. Het is hetzelfde soort doofheid dat wordt gevonden in bv witte Bull Terriërs of Dalmatiërs, die dezelfde witte kleur hebben als witte Boxers. Het wordt veroorzaakt door een gebrek aan pigmentcellen in het binnenoor van sommige honden die de Sw Sw - gencombinatie hebben.

We weten niet zeker waardoor doofheid bij witte Boxers precies ontstaat. In 2007 zijn genetici erin geslaagd uit te vinden waar de S – genen zich bevinden in de chromosomen.

In het artikel waarin deze resultaten werden gepubliceerd, schrijven de auteurs dat slechts ongeveer 2% van de witte honden doof is aan beide oren. Dit is de enige wetenschappelijke publicatie waarin een cijfer over deze kwestie wordt genoemd.

 

 

 

Met dank aan; Henning Lund.